Freud en Jung
De grondleggers van de analytische- en diepte psychologie.
Sigmund Freud (1856 – 1939) zag vooral de dromen ontstaan vanuit een verdrongen impuls (Es) die door middel van beelden in de nacht tot ons komen. Hij vond dromen de vervulling van een onderdrukte (vaak seksuele) wens. Door dromen komen we oog in oog te staan met onze normen en waarden. Onze dilemma’s. Wensen die we niet durven of willen toegeven, zoals gevoelens van jaloezie - lust, liefde of haat. Gevoelens die overdag onderdrukt worden door het ego (uber ich) . Deze wens duikt dan indirect in onze dromen op.
Carl Jung (1875 – 1961) ging verder dan Freud en was van mening dat dromen essentiele informatie geven uit onbewuste inhouden van onze ziel. Hij benoemde het persoonlijkonbewuste en het collectieve onbewuste. De Animus en de Anima natuur en de Archetypes die door middel van Complex werking in ons bewustzijn komen. Dromen kun je niet manipuleren, zij tonen je ware natuur. Ze compenseren dus niet alleen onze bewuste dagelijkse houding, maar geven ook nieuwe informatie of adviezen vanuit onze innerlijke bron, ons diep van binnen weten. Dromen hadden voor Jung dan ook vaak een doel, een diepere betekenis.
“….dromen zijn geen opzettelijke en willekeurige verdichtsels, maar natuurlijke fenomenen, die niets anders zijn dan we ze nu eenmaal voorstellen. Ze misleiden niet, liegen niet, ze verdraaien en verdoezelen niet, maar verkondigen naïef dat gene wat ze zijn en bedoelen. Ze zijn slechts ergerlijk en misleidend omdat we ze niet begrijpen. Ze gebruiken geen kunstgrepen om iets te verbergen, maar vertellen op hun manier zo duidelijk mogelijk wat hun inhoud vormt. We kunnen ook wel inzien waarom ze zo eigenaardig en moeilijk zijn; de ervaring leert namelijk dat ze steeds iets trachten uit te drukken wat het ‘ik’ niet weet en niet begrijpt….”
.
